Gelukkig ontzet

Zolang ik me kan herinneren is 28 augustus dé dag van Gronings Ontzet: een vrije dag van school, met kermis op de Vismarkt en ’s avonds een vuurwerkshow op de schouders van mijn vader op de Grote Markt. Een feestdag om elk jaar weer naar uit te kijken. De achterliggende oorzaak ervan is pas op latere leeftijd echt tot me doorgedrongen.

Groningens ontzet

bundelomslag, Henk Veenker (1920-1986)                                             Kracht en Verzet

In augustus 2014 heeft uitgeverij Palmslag ter gelegenheid van het Gronings Ontzet het initiatief genomen een schrijfwedstrijd te organiseren met als thema Gelukkig Ontzet. De twintig beste inzendingen (twaalf verhalen en acht gedichten) zijn in een bundel uitgegeven. Ballen!, één van de verhalen, is door mij geschreven. (jaja, zoon van).

 

 

 

Ballen!

Zijn bed is nog leeg als ik wakker schrik. Wakker waarvan? De afwezigheid van die vertrouwde, gelijkmatige ademhaling? De ongemakkelijke leegte, de stilte in onze slaapkamer?                                                                                                                                                                         Geen woord nog heeft hij gesproken de afgelopen dagen. Zelfs niet tegen mij. De spaarzame momenten dat hij thuis is, loopt hij stilzwijgend langs me heen, zijn lippen stijf op elkaar geklemd, zijn gezicht uitdrukkingloos. Zelf durf ik nergens naar te vragen, te bang om te horen hoe het werkelijk met hem gaat.                                                                                                   De beklemmende sfeer in huis, met name in onze slaapkamer, houdt me de hele week in zijn greep. Ze beweren dat het een man van je maakt. Dat je er ballen van krijgt. Laat me niet lachen: valse streken onder al even valse voorwendsels. Als dat mijn voorland is, wil ik nooit bij een studentenvereniging.                                                                                                                 Twee jaar later is het zover, ook ik ga studeren. Negentig procent kiest ervoor, wordt me gezegd. Tijdens de introductieweek drukt menigeen me op het hart: zonder vereniging ben je nergens. Een eenling in niemandsland. Geen gezelligheid, feestjes, vrienden om op terug te vallen als het even niet lukt met de studie. Geen kroegmores. Outcast zeggen ze nog net niet maar in feite komt het er wel op neer.                                                                                               Groningse studentenverenigingen. Vindicat is op voorhand uitgesloten. Evenals de op gereformeerde grondslag gestoelde Hendrik de Cock. Albertus Magnus – veel van mijn Maartenscollege vrienden gaan daarheen – is geen optie meer gezien de vernederingen die mijn broer daar twee jaar geleden heeft ondergaan. Overigens heeft hij Albertus vrij snel ingeruild voor de Groningse homoscene. Een wereld waarvan hij de emancipatie tot aan zijn vroegtijdige dood heeft bevochten. Voor hem is het uit de kast komen het gelukkigste ontzet in zijn leven tot dan toe geweest. De keerzijde ervan nam hij graag op de koop toe. Zijn eigen woorden.                                                                                                                                                       Op een van mijn eerste nachten op eigen benen loop ik in gedachten verzonken over de Grote Markt, langs het gebouw van Vindicat, als mijn gang gehinderd wordt door een gevloerd instrument waarmee ik van kinds af aan een innige band heb. Vindicat atque Polit: handhaaft en beschaaft. Een lijfspreuk die in schril contrast staat met de ontwrichte piano die op de stoep voor het sociëteitsgebouw aan zijn voeten ligt. Gescheurde klankbodem, afgebroken toetsen, gesprongen snaren die uit de geknakte klep naar buiten steken, hun uiteinden zachtjes natrillend in de wind. Zonder twijfel heeft de doodskreet van deze piano voor heel wat meer spektakel gezorgd dan die van Casper Naber destijds.  Ik stuur mijn blik naar boven, naar het balkon van de eerste verdieping. Naar de ijzeren balustrade waar nog de rode lap vilt wappert die de toetsen moest beschermen tegen al teveel morsigheid. Stille getuige van een jaarlijkse daad van onwetendheid: een oude piano over de balustrade smijten. Des te schrijnender als je beseft dat op nagenoeg diezelfde plek in november 1944 Casper Naber de beslissing nam van de bovenste verdieping van het Scholtenhuis uit het raam te springen om aan de beruchte martelpraktijken van de Sicherheitsdienst te ontsnappen. Bang als hij was zijn vrienden van de illegale Groep Packard te verraden. Waarschijnlijk is het mijn opa’s redding geweest. Naber. Rond die naam heerste bij ons thuis een bijna heilig stilzwijgen. Ook toen al werd ik gegrepen door geheimzinnige verhalen. Vooral over de Tweede Wereldoorlog. Wij hadden iets met Naber wat anderen niet hadden. Wat dat precies was, wist ik als kind niet. Af en toe werd ik door mijn vader naar de ijzerwinkel in de Gelkingestraat gestuurd voor een boodschap. De man achter de toonbank, Jan Naber, was voor mij omgeven met raadsels. De angst voor de Duitsers, en met hun de NSB, is mij met de paplepel ingegoten. Met name door mijn moeder. Dat opa’s kachelwinkel, samen met de rest van de Oosterstraat op de dag dat de Canadezen juichend de stad binnentrokken in rook is opgegaan – een daad van frustratie van de NSB – was een extra voedingsbodem voor die angst. Voor mijn moeder en haar ouders was de bevrijdingsdag dan ook het tegenovergestelde van een gelukkige dag van ontzet. Een dag van ontzetting is een betere benaming. Haar oorlogstrauma heeft diepe indruk op mij gemaakt. Logisch dus dat Jan Naber voor mij een van mijn helden was. Een jongen van Jan de Wit. Een man met ballen. De waarheid dat niet hij maar zijn broer Casper de verzetsheld was, ontging mij als kind. De onuitgesproken, bijna mystieke atmosfeer in de winkel. Daar ging het mij om.                                                                                                                                                                                                   Een vergelijkbare sfeer hing in de sigarenwinkel van Tonny van Leeuwen aan de Hereweg. Opnieuw een winkel die ik zonder de boodschappen van mijn vader voorbij zou zijn gelopen. Ik was, en ben nog steeds, geen voetbaladept. Maar Tonny van Leeuwen, de legendarische keeper van FC Groningen, daar had ik op school wel van gehoord. Dat ik hem door zijn winkel in levende lijve kende, maakte van mij in de klas iemand die erbij hoorde. Waar je ego al niet van kan groeien. Wat de druk gebarende mannen in de winkel met elkaar bespraken? Ik kon ze absoluut niet volgen. Maar gezien hun opgewondenheid ging het over bloedserieuze zaken. Zaken die het verschil maakten tussen leven en dood. Daar was iedereen het over eens. De boodschap in de winkel was eenduidig: Tonny van Leeuwen was een held. Een man met ballen. In meerdere betekenissen van het woord. Volgens mij had mijn vader een bloedhekel aan dat geleuter. Door mij te sturen ontliep hij dit niet te omzeilen bijverschijnsel. Het ging hem puur om de sigaren.

Een oude, versleten piano en een een jonge idealist. Beiden op dezelfde plek te pletter gevallen. Een pijnlijker contrast met feestvierende, dronken corpsballen is nauwelijks denkbaar. Het lijkt me stug dat deze, naar eigen zeggen, hoeders van traditie en beschaving daar in hun beschonken toestand een seconde bij hebben stilgestaan.                                     Verder loop ik, de Oosterstraat in, naar het huis waar mijn broer en ik zijn geboren. Op de hoek Oosterstraat-Poelestraat draai ik me om naar de markt. De zielloze piano is nog slechts een zwarte vlek aan de voet van de Martinitoren. Klaar om als grofvuil opgehaald te worden. Vanaf deze plek zal mijn vader jaren later de schets maken voor een linosnede: kracht en verzet. Een horizontaal en verticaal lijnenspel met twee Groningse iconen.       Dan langs de winkel van Thiadens. Samen met Peter Thiadens en vele andere jongens zongen mijn broer en ik als kind twee keer per week onze longen leeg in de droomfabriek van St. Josef. Een ruimte zo vergeven van beelden en zinnenprikkels dat een kind als ik in deze kerk voor eeuwig kind zou willen blijven.                                                                                                   Het jongenskoor stond onder de bezielende leiding van pater Mulder die bij wijze van uitzondering niet naar wierook, sigaren, muffe kleren en te lang bewaarde zalfolie rook. Een witte raaf in een eeuwige zwarte pij. Dat laatste dan wel weer. Wat ben ik jaloers geweest op mijn broer dat deze pater wel zijn biechtvader was.                                                                      Van Thiadens naar de soos van studentenvereniging Vera. Buiten in het raam boven de voordeur waakt Ichthus nog steeds over zijn studenten. Een waterige herinnering aan een gereformeerd verleden die allang uit zijn symboolfunctie is ontzet. Binnen vliegen flarden quasi diepzinnige oneliners mij in adem benemende ruimtes om de oren. Raadselachtige gezichten die op afgeleefd meubilair tegen elkaar aan hangen. Nietszeggende koppen die mij onder benevelende Syd Barrettklanken door slierten marihuanarook en vlassige haargordijnen niet-begrijpend aanstaren. In de hoek, zittend op een pianokruk, trekt een meisje giechelend een jongen op schoot. Samen proberen zij de ontstemde piano te verleiden tot een spelletje Vader Jacob. Bij ‘alle klokken luiden’ gaat het, zoals zo vaak bij dit soort amateuristische pogingen, mis. De versnelling in de melodie van kwartnoten naar achtste noten is niet voor hen weggelegd. Maar eerlijk is eerlijk: deze piano leeft ten minste nog.                                                                                                                                                                             Vera. Vera Et Recti Amici. Hoogdravende Latijnse spreuken hebben het door de eeuwen heen altijd goed gedaan. Hoezo ware en oprechte vrienden? Hangend tegen een verveloze deurpost voel ik me hier dezelfde vreemdeling als voor het gebouw van Vindicat. Langzaam schuift de deur van onze slaapkamer open. Ik hoor mijn broer zwijgend onder de dekens kruipen, te moe om zelfs maar zijn kleren uit te trekken. Als ik stilletjes omhoog kom en mijn hoofd naar zijn bed draai, zie ik enkel de geschoren waarheid van zijn gelogen ontgroening: stoppelige schedel, asgrauw half weggemoffeld in een smoezelig kussen. Ik val terug in bed en huil. Huil om de pijn van zijn vernedering. Om mijn machteloosheid. Die nacht neem ik een besluit. Een besluit dat twee jaar later nog niets aan kracht heeft verloren.                                                                                                                                                                              Wanneer ik een half uurtje later aan de nevelen van Vera ben ontsnapt, overspoelt mij een gevoel van triomf: geen studentenvereniging voor mij. Een gevoel van bevrijding dat ik mijn hele studentenleven niet meer kwijt zal raken: mijn eigen Gronings ontzet van de studentenlegers met hun onuitgesproken wetten en rituelen. Van hun bolwerken die bol staan van de tradities: handhaving, beschaving, waarheid, oprechtheid. Had een van jullie mij de piano gegeven, ik wist wel wat ik ermee moest doen. Toch verschilt mijn ontzet wel iets van dat van de Groningers in 1672. Voor mij is het een vrije keus geweest, voor de Groningers toentertijd een geluk bij een ongeluk. De troepen van de bisschop van Münster moesten noodgedwongen hun beleg opgeven. Ze dreigden namelijk hun rugdekking te verliezen nadat de manschappen van bondgenoot de keurvorst van Keulen waren gestrand in de modder van Groningen. Voor alle volledigheid: het zompige Drenthe was geen potentiële weg terug omdat dit grotendeels onder water was gezet.

Mijn eigen gelukkig ontzetje. Ik geef toe: geen schokkend wereldnieuws. Maar wel een principiële sprong in het verenigingloze diepe. Mijn broer zei dat ik ballen had.                            Voor ik terugga naar mijn kamer loop ik nog even een paar huizen verder. Nummer 52, mijn geboortehuis. In het portiek leegt net een leeftijdgenoot zijn verzopen maag tegen de deurpost van het trappenhuis. Ik vraag me af of mij dat zonder studentenvereniging ooit zal lukken. Maar dat is een zorg voor later.